De buurvrouw, een Hongaarse
heeft het mij geleerd,
zodra er sneeuw gevallen is
je persjes vlijen op het ongerepte.
Zoals vroeger op het gras
de lakens bleekten,
veel wit op weinig groen,
zo liggen daar mijn kleden
tot het wit ze heeft bedekt.
 
Dan kom ik,
een knipoog naar opzij,
veeg sneeuw tot in de polen
van links naar rechts
en andersom, keer,
laat ze weer ondersneeuwen.
 
Geklopt, verspreid
op vloerverwarmde tegels
schoon gewreven,
door pluizen
blauw en rood omgeven
liggen ze te drogen
voor mijn knieën,
schone witte doeken
vielen grijzig in de mand.
 
Hoogpolig, wonderschoon,
vertolken mij
de handgeknoopte kleden
hun zeer oprechte dank.


Uit de bundel "Strijklicht van violen", poëzie bij kunst en literatuur (2013)