Voor E. du Perron


Een heer die de straat afdaalt 
een heer die de straat opklimt 
twee heren die dalen en klimmen 
dat is de ene heer daalt 
en de andere heer klimt 
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx 
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers 
treffen zij elkaar 
de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand 
de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand 
dan gaan de ene en de andere heer 
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende 
de rechtse die daalt 
de linkse die klimt 
dan gaan beide heren 
elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed zijn bloedeigen hoge hoed 
elkaar voorbij 
vlak vóór de deur 
van de winkel 
van Hinderickx en Winderickx 
van de beroemde hoedemakers 
dan zetten beide heren 
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende 
eenmaal aan elkaar voorbij 
hun hoge hoeden weer op het hoofd 
men versta mij wel 
elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd 
dat is hun recht 
dat is het recht van deze beide heren