Het woeste niemandsland vol slangekruid en ongezouten planten, 
Verbergt zijn rijzige schim, de ruigte gelijkvormig. 
Onhoorbaar en halfzwevend gaat hij aan mijn zij, zijn voeten
Beroeren nauwelijks de taaie halmen en stugge zeedistels. 
Bij hoger struikgewas hoor ik zijn enkelvleugels klapperen, 
Dan zweeft hij licht voorover voor mij uit alsof hij stuitert, 
Een vochtig geselen van zijn wreven. De vrees dat de veters
Van zijn soda-shoes loszitten. Angst dat hij zal struikelen. 
Om de loodzware ernst van onze lediggang wat te bemantelen
Praat ik over de Olympische Spelen: Of hij bij basketball, 
Vanwege zijn gevleugelte, gehandicapt wordt. Hij lacht en schudt zijn hoofd, 
‘Alleen als door mijn toedoen het scoreverloop eenzijdig drastisch oploopt. 
De vleermuis schiet voorbij, zwenkt vlak langs zijn lijkwit gezicht. Ik huiver
En hoor hoe krakend het insect vermorzeld wordt door het vlijmscherp gebit.