Er stonden negen bomen
in de Hof van Leven.
De liefdesboom
droeg steeds de meeste vrucht,
de boom van vrede
had nogal geleden,
de vreugdeboom
raakte niet uitgeput.

Die van geduld
zou later bloeien,
vriendelijkheid
boog zachtjes door de top,
de boom van goedheid
begon uit te lopen,
die van geloof
bestoof de stille hof.

Zachtmoedigheid
wiegde haar rijpe vruchten
gereed voor ’t vieren
van het feest
de boom van zelfbeheersing
mocht zijn hartje luchten,
zo droegen ze gezamenlijk
de vruchten van de Geest.

Ik vraag U in ootmoedigheid
doe binnenin mij groeien
zo’n Hof van Leven, U die leidt
door nu en dan te snoeien.
 

Uit de bundel "Verstillend Licht" (2012)