Klaaglied van Margje:
 
Waarom heb je het voor mij verzwegen,
je diepste gevoel, met jezelf verlegen,
wat je totaal in verwarring bracht,
je bezighield in het holst van de nacht?
Ik had je toch begrepen
als je had verteld wat je zo had aangegrepen.
 
Als ik je vroeg of hij was geweest,
het aan je rook, die geur, en jij zo bedeesd.
We hadden het toch meteen kunnen delen,
waarom wilde je die momenten stiekem stelen
en borg je alles voor me weg,
kroop je met die zwartjassen achter de heg?
 
Besef je niet hoe ik werd verscheurd
door onrust, wat was er toch met je gebeurd?
Het leek wel of er een muur tussen ons rees.
De angst om te worden als een wees.
Soms zou ik je wakker willen schudden en vragen:
Zie je me nog, voel je me, hoor je mijn hart klagen?
 
Juist dat achterbakse valt me zo van je tegen.
Zo was je nooit. Je bent toch zo integer.
Je bent zo bezig met de Weg en de Waarheid,
maar mij heb je al die tijd om de tuin geleid.
 
Ik wil je niet verliezen aan die mannen met hun wetten.
Samen konden we altijd bergen verzetten.
Als je alles van het begin af met mij had gedeeld
was het anders geweest, was er meer geheeld.
 
Zoals je daar slaapt, geknield in de kou,
is het een wonder dat ik zoveel van je hou?
In de stilte van de nacht
heb ik God mijn dank gebracht.
Mijn klaaglied is tot een hooglied gegroeid.
Ach kijk, de brandende liefde bloeit.
  
Geïnspireerd door het boek "Knielen op een bed violen" van Jan Siebelink.


Uit de bundel "Strijklicht van violen", poëzie bij kunst en literatuur (2013)