Al zo vaak schreef ik over moeder
maar eigenlijk nooit over hem
terwijl ik zoveel met hem optrok,
nog hoor ik soms zijn tweede stem.
 
Als ik in bed lag dan bespeelde hij het orgel,
ik luisterde stil naar het oefenspel,
de psalmen en gezangen die hij speelde
die lukten zonder oefenen ook wel.
 
Soms denk ik aan hem als ik zaagsel ruik,
dan zie ik hoe hij in de werkplaats werkte,
wat hij daar maakte vond ik puik
al denk ik dat hij daarvan niet veel merkte.
 
Als hij het orgel in de kerk bespeelde
dan mocht ik wel eens bij hem spelen met mijn pop,
ik weet nog dat hij pepermunten deelde
en die van mij was altijd heel snel op.
 
Ook ging hij wel eens met me schaatsen
zo met de armen overkruist,
ik zag de ijzers in het ijs weerkaatsen,
we bleven dan heel lang van huis.
 
We gingen zelfs een keer naar ‘t vuurwerk kijken
maar daarvoor was ik vreselijk bang
en toen ik dat aan hem liet blijken
verliet ik op zijn schouders het gedrang.
 
Ik was pas negentien toen hij al heenging,
hij haalde net de zestig, ’t was zo onverwacht,
pas nu ik ’t schrijf komt de herinnering
weer aan zijn liefde en dat geeft me kracht.
 
De liefde voor muziek die hij me meegaf
die nog na zoveel jaren mij behaagt
troost mij zoals de Herder met zijn staf
dan voelt het even weer of zijn muziek mij draagt.


Uit de bundel "Geloofsvreugde" (2013)