Roerloos lig je in zijn handpalm
zo onwaarschijnlijk stil en kalm.
"Het hoofdje is niet goed gesloten"
zegt de dokter vastbesloten.

Je bent al helemaal gevormd,
 'k voel hoe het binnenin mij stormt
maar je had geen kans van leven.
We moesten je uit handen geven.

Ons jongetje, zo klein en nietig,
je vader en ik zijn zo verdrietig.
Een lied welt ’s avonds op in mij.
Het eindigt met: "Blijf mij nabij".

(Maart 1981. Gedicht geschreven in oktober 2008.)


Uit de bundel "Geloofsvreugde" (2013)