Twee schimmen
in het schemerduister
betreden wat eens resten
van het klooster zijn geweest.
De verse sneeuw reikt
tot hun kuiten,
hun sporen zeggen mij
dat niemand
voor hen uitgelopen heeft.
Waarover ze zo
ingetogen spreken
laat zich gezien hun houding
goed verstaan
als ze hun passen
doen vertragen
en ik hun blijk
van medeleven gadesla.
 
Ze kijken waar ik blijf,
ik las de teksten
op monumenten
over ’t komend Rijk,
vervuld door wat
het in me overstemde
loop ik verlicht
naar hen die mij
in liefde bij zich wensen.



Uit de bundel "Geloofsvreugde" (2013)