Fiets ik door de Wilgenlaan
over geasfalteerde wortels
dan denk ik
onherroepelijk aan haar.
Getrokken
door haar geliefde paarden
reed hier de rouwkoets
met de lege baar.
Onze wegen scheidden
op weg naar ‘t einde
van haar lijden.

De wilgen zijn geknot
en uitgelopen,
voor haar gaat
ver van hier
een nieuwe
toekomst open
waarop ik hier
op aarde nog
mag blijven hopen,
verbonden door de wortels
van ons geloof in God.

Een eindje verderop
wordt er al weer
een wilg geknot.



Uit de bundel “Verstillend Licht” (2012)